'Mijn geest en mijn penselen slapen nooit'

Publicatie uit Zestig plus +
60 Rotterdamse beeldende kunstenaars
Uitgave: Stichting Duo Duo / Rotterdam 2007
ISBM 90-72971-92-0

We zitten. De zon valt op het uitbundige geranium- en begoniaterras met parasol. Het sneeuwt bloesem over de tuin van het oude schoolgebouw (1908) onderaan de Nesserdijk, recht tegenover het Eiland van Brienenoord, pal aan de rivier. Dubbele mok Franse koffie met soesjes en water voor de gast,
twee doosjes Camel en een stevig blik bier voor de gastheer.
'Zo, ik ben thuis,' zegt Louis Looijschelder, die het terras met een aluminium laddertje heeft beklommen. 'Het oude trappetje heeft het vorige week begeven.'
Dat we er zitten is een wonder. De eenentwintigste eeuw heeft de verhalende schilder nog niet veel vrolijks gebracht. Slokdarmkanker, vrouw en muze Marianne de Bruine door een vernietigende haal van de zeis overleden en de hond niet veel later ook dood aan een vergiftigde maagwand.
Hijzelf is genezen verklaard. Hoewel: zijn voorzichtige, hese stem verraadt achter elk woord een immer schuilend gevaar. 'Het gegeven is eigenlijk: het leven wil er nog niet uit. Laten we het over de toekomst hebben,' oppert Looijschelder.
Hij staat een paar weken voor een nieuwe verkoop-tentoonstelling. Aan huis, een open ateliermiddag, 'want een beeldend kunstenaar is een kleine zelfstandige, niets meer dan een kruidenier of een sigarenboer, die moet ook altijd maar door.' Die 50 procent voor galeriehouder, plus nog eens
19 procent btw, daar kan hij net zo goed zelf iets op verzinnen. Vindt hij.

Louis Looijschelder doet anno 2007 nog steeds wat hij vijftig jaar geleden ook al wilde: schilderen.
'Ik had als ventje van zes, zeven in de Laurentiuskerk aan de Mathenesserlaan de twaalf statiën gezien, oog in oog gestaan met die sandalen en die kniebeschermers, die helmen en die schilden. Dat vond ik
zó mooi.' Begin 2005 heeft hij er een object mogen plaatsen. Brons op linnen: 'Ecco Homo'.
Over kringloop gesproken.

Een toekomst in de kunsten - dat ging zo maar niet als zoon van een gesaneerde binnenschipper.
'De academie? Beurzen? Mijn vader wantrouwde de overheid; studiebeurzen konden zomaar worden afgepakt en dan stond je er zelf voor, moest híj maar zien het terug te betalen.'
De avondacademie brachten louter achten en negens. Academiedirecteur Pierre Jansen ontfermde zich over de ambitieuze Looijschelder.
'Ik ben een paar mensen schatplichtig, Pierre Jansen vooral. Die zei: ik ga wel met je ouders praten.
Hij belde aan om kwart over zeven ’s avonds. Mijn moeder doet open, schrikt en roept: ’Daar staat die lange van de tv!’ Iedereen keek in die tijd naar Kunstgrepen. Binnen een kwartier was het geregeld.'
'Ik zat de hele dag op de academie. Als er 's avonds een lokaal leeg was, werkte ik gewoon door.
Daar was het ruimer dan thuis.'
Zijn eindexamenwerk, een muurdecoratie van 120 m2, ging naar de Calypso bioscoop. 'Ik had mij al rijk zitten rekenen: tegen de geldende vierkante meterprijs kwam ik op twintigduizend gulden; ze boden niet meer dan drie. Te weinig? Dan kochten ze het wel van de academie; daar lagen de rechten, en dan had ik niks. Nou ja, drie mille - dat was toch zes keer de Drempelprijs...'
Het is onlangs gesneuveld in de voortdurende sloopwoede van Rotterdam. Hoogbouw op de plaats van Calypso. 'Mijn muurschildering aan de Oude Binnenweg is ook verdwenen. Zo gaat dat.'

Louis Looijschelder heeft zich altijd redelijk kunnen bedruipen als kunstenaar. Hij noemde Pierre Jansen, hij noemt ook Woody van Amen, Herman Zwart en Hein van Haaren.
'Ik heb formeel ingewoond bij Woody in de Oranjeboomstraat, maar feitelijk besliep ik zijn atelier in de Lambertusstraat. Ik ben twee jaar Woody's assistent geweest; zijn derde hand en soms zijn vierde, zeg maar. Ik heb gouaches voor hem gemaakt, ik vulde in wat hij had opgezet, en assisteerde hem bij zijn objecten die nogal arbeidsintensief waren. Hij heeft mij atelierdiscipline bijgebracht; die lag er niet in het café op de hoek.'
'Woody heeft mij ook met anderen in contact gebracht. Met Herman Zwart bijvoorbeeld, de oprichter van de Nederlandse Kunststichting, die deuren voor mij naar het buitenland opende. In onze oude eend met een diaprojector Franse galeries af; of er even een schilderij kon worden verschoven, dan kon ik mijn werk laten zien. Wat je nu doet met een laptop.’
'En Hein van Haaren heeft ook veel voor mij betekend. Gaf mij opdrachten toen hij directeur van de esthetische dienst van de PTT was. Hij is mij altijd blijven steunen en volgen in mijn werk.'

Louis Looijschelder zit sinds 1978 aan de Nesserdijk. Hij heeft door de jaren heen vastgehouden aan zijn uitgangspunten. 'Wat ik maak, is altijd behoorlijk consistent gebleven. Ik heb verschillende materialen gebruikt, maar technisch ben ik niet zo vreselijk bijdehand. Dus was het voornamelijk schilderen. Mijn werk toont het verhalend poëtische, het literaire en het narratieve. Ik kan niks met abstractie.
In de figuratie zit mijn poëzie. Of mijn ellende.'
Hij zoekt het ’t liefst in 'mijmeringen met een boodschap', zoals hij het heeft genoemd. Hij neemt waar, voelt zich daarin soms ‘een voyeur’, en vervreemdt de waarneming dan zo dat de kijker iets anders ziet dan hij geneigd is te zien.
Looijschelder steekt de brand in een volgend biertje en zegt: 'De schoonheid van de leegte is een drijfveer naar de romantiek. Kijk maar in mijn atelier: illusie, fantasie en realisme. Weemoed en verlangen. Het is de heimwee naar de sublimatie van het gegeven waarmee je bezig bent.'
Relativeert: 'Maar het moet natuurlijk wel opgepakt worden door derden; anders kun je net zo goed zelf de dijk afrijden. Dan vervalt je werk aan de Roteb.’

Torso's heeft hij recent gemaakt. Grote geschilderde vrouwentorso's, zonder armen, nek of hoofd. Volumineus. 'Nee, niet met een burka. Geef mij maar de ronde vormen. Wat meer dan tweeduidend jaar geleden werd gemaakt, mag nu toch zeker ook? Of moeten we terug naar het stenen tijdperk? Ik leg me niet neer bij het gegeven dat de vrijheid van de een leidt tot de ergernis van de ander. Ik doe wat ik wil. Mijn geest en mijn penselen slapen nooit.'
Nooit? 'Nee. Het tekenen wordt wat minder. Daar heb ik het geduld niet meer voor. Tekenen is een handschrift dat er in een vloeiende beweging moet uitkomen. Ik schilder liever; dan kan ik onderwijl nog eens achter de computer zitten, een telefoontje plegen, een wasje draaien, wat eten en wat inschenken. Een tekening die drie dagen duurt, kan nooit een goeie tekening zijn.'
Hij is het ook niet eens met degenen die beweren dat de tekening de basis is van ieder schilderij.
'Ik laat het in verf uit mijn hoofd stromen. Sommigen maken liever oorlog voor aan de wand, of raken gevangen door het maniërisme, ik probeer verstilling.'

Hij haalt Gerard Reve aan: 'Die schreef: als je vastloopt, ga uit het raam van de derde verdieping hangen en als een van je rochels een hoofd raakt, komt er vast wel een goed idee.'
Besluit: ‘Wie zijn geluk uit kleine waters vist, zal koning zijn en tot de dood toe zingen,’ De schrijver is de schilder onbekend.

Hij lacht nieuw optimisme binnen.

Peter Ouwerkerk